submenu

Wonen in Stokkel - 10/10/2021

‘Geen minuut spijt gehad dat ik bakker was'

In de smalle Langestraat die de grens vormt tussen het Vlaamse en het Brusselse Gewest, omringd door onder meer een stoffenwinkel, een naaiwinkel en een slager, woont Lucien Ghyselinck. De voormalige bakker en zijn vrouw Martine wonen er nog altijd even graag.

Lucien woont al 65 jaar in Stokkel, van toen hij zes jaar oud was. Toen hij twee jaar oud was, in 1952, verhuisden zijn ouders van het verre Deinze in Oost-Vlaanderen eerst naar Etterbeek, en vier jaar later naar de Langestraat in Kraainem om daar een bakkerszaak te openen. In dat huis woont Lucien nu nog altijd. Boven de handelszaak waar hij zelf tot 2011 bakker is geweest, en waar zijn vader Omer in 1956 als bakker begon. Talloze klanten uit Kraainem en Sint-Pieters-Woluwe kwamen er tijdens die halve eeuw om hun brood en gebak.

Warme bakker is een heel apart, maar ook een hard beroep, dat door niet veel mensen meer wordt beoefend. Lucien weet dat als geen ander.

Marsepein en chocolade

‘Mijn vader maakte alles zelf, en dat zijn we altijd blijven doen. Dat betekent natuurlijk veel nachtwerk. Ik ben mijn vader al beginnen te helpen toen ik veertien jaar was. Toen zorgde ik al voor de marsepein of de chocolade, alles wat je maar kan bedenken. Na mijn legerdienst ging ik volledig bij hem in dienst. Dat wil zeggen dat we om 12 uur ’s nachts begonnen, en tot een uur of tien, elf ’s ochtends doorwerkten. Dan aten we een boterhammetje en gingen we wat slapen. Om dan ’s avonds al wat voorbereidingen te treffen, nog een dutje te doen en terug aan de slag te gaan.’ Dat deden ze zes dagen per week. ‘Dinsdag was onze sluitingsdag. Dan hadden we tijd om even naar de stad te gaan, of de familie in Deinze te bezoeken.’ En toch is Lucien altijd met overtuiging bakker geweest. ‘Ik heb dat altijd graag gedaan. Ik kan niet zeggen dat ik ooit één minuut spijt heb gehad dat ik bakker was. Op mijn 61e ben ik met pensioen gegaan en sindsdien heb ik niets meer gedaan (lacht). Ik heb de bakkerij jammer genoeg ook niet kunnen overlaten.’ In de handelszaak onder zijn appartement, waar vroeger de bakkerij was, is nu een Poolse delicatessenzaak gevestigd. Spreekt hij al een woordje Pools? (lacht) ‘Nee, dat nog niet. En daar ga ik ook niet meer aan beginnen. Maar we zeggen onze buren wel alle dagen goeiedag als we passeren en mijn vrouw gaat er ook regelmatig het een en ander kopen. We schieten trouwens goed op met alle buren. Geen problemen daarmee.’

Open om zes uur ‘s morgens

Lucien maakte zelf het liefst patisserie en chocolade. Maar de mensen kwamen natuurlijk het meest voor het brood en voor de goede pistolets. Vooral op zondag. ‘Toen er nog zondagsmissen waren om zes uur ’s morgens, deden wij ook al open om zes uur. Als je nu nog een bakker wil vinden die op dat moment open is, zal je ver moeten lopen. Maar vroeger waren er hier in de buurt wel een stuk of zeven bakkers. En we hadden allemaal onze klanten, anders zouden we het ook geen 55 jaar hebben volgehouden.’

Nadat hij zijn broodjes had gebakken, stonden zijn moeder en zijn vrouw Martine, een Française uit het noorden van Frankrijk, in de winkel. ‘Zij heeft dat ook heel graag gedaan. Als de man ’s nachts werkt, en de vrouw overdag, moet je elkaar natuurlijk goed begrijpen.’ Toch was er ook tijd voor vakantie. ‘Mijn ouders konden voor de eerste keer op vakantie in 1958 of ‘59. In het begin voor korte periodes en op den duur werd dat dan regelmatig veertien dagen.’ Over zijn jeugd in Stokkel is Lucien wel kort. ‘Ik ging niet graag naar school, daarom leerde ik zo rap de stiel. Ik was ook niet sportief aangelegd, maar ik ging wel graag naar het voetbal kijken. Eerst naar Racing White, daarna naar RWDM en ook wel naar Anderlecht. Ja, ik was erbij toen RWDM in 1974 kampioen werd. Nu is het daar wel wat minder (lacht), maar het is nog altijd een mooie club.’

De middenstand

Aan het feit dat hij al zijn hele leven op dezelfde plek woont, merk je dat Lucien aan Stokkel altijd genoeg heeft gehad. ‘Ik woon nog in het huis dat mijn ouders begin jaren zestig goedkoop hebben kunnen kopen. Nadien is het hier natuurlijk veel duurder geworden voor jonge mensen, zeker om te bouwen.’ Veel Nederlandstaligen trokken weg naar omliggende gemeenten. Zo woont zijn zoon zoals wel meer Stokkelaars van vroeger nu met de twee kleinkinderen van Lucien in Sterrebeek. Hij is ook middenstander en heeft daar de elektronicawinkel Minex aan de Mechelsesteenweg. En dat is toch iets dat opvalt. Je hebt nog veel middenstand in Stokkel. ‘Ik vind het nog altijd aangenaam om hier te wonen. Je hebt hier alles. De tram, de metro, en veel meer winkels dan in andere gemeenten. Of ik iets kan aanraden? Dat is moeilijk. Ik ga naar de Grote Prijzenlaan, de krantenwinkel, naar slagerij Van Hoorde hiernaast of naar die op het Dumonplein.’ Als bakker had Lucien geen tijd voor het verenigingsleven of een bezoekje aan de Lijsterbes, dus dat staat niet op zijn agenda. Naar de Brusselse binnenstad trekt hij ook niet vaak meer, al steekt hij natuurlijk wel voortdurend de gewestgrens over. ‘Alle dagen doen we hier een wandeling in Stokkel. Stokkel bestaat niet als gemeente, maar wij zijn wel meer op Sint-Pieters-Woluwe gericht dan op Kraainem. Tenzij het goed weer is. Dan brengen we mijn moeder een bezoek in het rusthuis.’ 

 

Tekst: Michaël Bellon

Foto: Tine De Wilde

Uit: Lijsterbeskrant oktober 2021