submenu

Patrick Riguelle en Jan Hautekiet eren het Franse lied - 30/10/2019

Een onverwoestbare muzikale vriendschap

In La vie est Riguelle draaiden de muzikale boezemvrienden Patrick Riguelle en Jan Hautekiet vijf jaar lang bekende en minder bekende Franse plaatjes. Nu het radioprogramma op Klara definitief is afgelopen, nemen ze afscheid met een tournee waarin ze de mooiste pareltjes nog één keer zelf spelen en becommentariëren, in het gezelschap van vijf andere topmuzikanten.

Het is al meer dan tien jaar geleden dat Riguelle en Hautekiet voor het eerst op pad gingen met hun vertolkingen van Franse chansons. Het idee voor het radioprogramma ontstond in 2013, na een optreden in het bekende Brusselse café L’Archiduc. Riguelle: ‘Zoals altijd praatten Jan en ik op kibbelende wijze de liedjes aan elkaar omdat veel mensen ze niet echt kenden, en Chantal Pattyn (netmanager van Klara), die ons bezig zag, zei achteraf dat er een radioprogramma in zat. Vijf jaar lang hebben we op Klara carte blanche gekregen. We zijn bewust gestopt op een moment dat het nog plezant was, zowel om het te maken als om ernaar te luisteren. We wilden niet riskeren dat het een routinejob zou worden. Omdat we het missen, sluiten we in schoonheid af met een tournee in feeststemming.’

Jukebox op café

Riguelle, een tweetalige Brusselaar met een Franstalige vader en een Vlaamse moeder, kreeg het Franse lied met de paplepel ingegoten. ‘We keken zoals veel mensen in de jaren zestig naar de Franse televisie, waarop ik veel variété- en muziekprogramma’s zag. Je had natuurlijk ook de radio. Maar er was ook de collectie 78 toerenplaten van tussen de twee wereldoorlogen, uit de jukebox van het café dat mijn ouders tot kort na de oorlog hebben opengehouden. Als nakomertje groeide ik op in een ouderwetse muziekwereld. Mistinguett, het debuut van Charles Trenet, dat was de muziek van mijn kindertijd, en als kind stel je je daar geen vragen bij. Toen we naar Blankenberge verhuisden, is mijn vader garçon geweest in cafés met een grote zaal op de dijk waar Sasha Distel, de Bobby Setter Band en andere balorkesten en jazzbands dikwijls Franse liedjes speelden. Als adolescent moest ik er niets meer van weten, maar één keer de dertig gepasseerd, kwamen al die liedjes terug.’

Daarbij kwam de interesse voor de geschiedenis van die muziek, en een diepere appreciatie van de Franse taal en vertelkunst. Die brengen Riguelle en Hautekiet tijdens hun show over op het publiek. ‘We geven duiding, maar dan op onze manier. We zijn geen schoolmeesters.

Het is leuk om de anekdotes bij de liedjes te vertellen. De jazz die tussen de twee wereldoorlogen uit Amerika kwam overwaaien kreeg bijvoorbeeld veel meer voet aan de grond in Frankrijk en België dan in de rest van Europa. Het Frans is flexibeler en frivoler dan Germaanse talen, maar ook andere zaken spelen een rol in de geschiedenis van de chanson. Een schrijver als Louis- Ferdinand Céline was bijvoorbeeld één van de eersten om de volkstaal met succes te introduceren in de moderne literatuur. Charles Bukowski en Henry Miller in Amerika, en Reve en Boon bij ons zijn dat ook gaan doen, maar wat mij betreft is dat in de Franse taal het beste gelukt. Die invloed is ook terug te vinden in de Franse muziek van Brel, Ferré of Barbara. Die volkse gevoelstaal en die ‘céliniaanse’ manier van vertellen zit ook in hun liedjes, waardoor ze over meer thema’s kunnen zingen.’

De verhalen en anekdotes tussendoor houden de aandacht vast als de voor het grote publiek onbekende nummers aan bod komen. ‘Er zitten een aantal obscure dingen bij, zoals La butte rouge – een oud lied van Montéhus uit 1923 dat zowat het eerste pacifistische pamflet was over een slag tijdens de Eerste Wereldoorlog. Een gruwelijke tekst begeleid door een eerder vrolijke valse musette. Andere voorbeelden zijn Les gens qui doutent van de geweldige Anne Sylvestre, of Boby Lapointe die je omwille van zijn taalspelletjes met Drs. P zou kunnen vergelijken. Vaak is het een nichepubliek dat hen kent, en dat bewijst mijn stelling dat liedjes gezongen – en niet alleen in een archief bewaard of thuis gedraaid – moeten worden.’

Hoe doe je dat dan op een goede manier, dat zingen? Hoe stel je een goed coverprogramma samen? ‘Het belangrijkste is natuurlijk dat je de liedjes zelf graag hoort en zingt. Ik probeer me daarbij niet te laten afschrikken door de virtuositeit van een lied. Soms gaat het, en soms gaat het niet. Vesoul van Jacques Brel ligt me goed om te zingen, terwijl het even virtuoos is als La valse à mille temps dat ik niet gezongen krijg. Het programma is ook zo samengesteld dat mijn liefde voor melancholische nummers afgewisseld wordt met mijn liefde voor frivolere, grappige nummers. Avec le temps van Léo Ferré staat perfect naast Les Abeilles van Bourvil.’

Chansons d'amis

Dat alles wordt mogelijk gemaakt door Riguelles onverwoestbare muzikale vriendschap met Jan Hautekiet. Wat houdt hen aan de gang? ‘Dat is een goede vraag waar ik waarschijnlijk geen antwoord op kan geven. 25 jaar geleden bracht Henri Vandenberghe van het folk- en jazzfestival Brosella ons voor het eerst samen omdat hij ons allebei goed kende. Na vijf minuten keken we naar elkaar en wisten we dat er veel meer in zat dan alleen die samenwerking voor het festival. Ik denk omdat we allebei tweetalige Brusselaars zijn met een eclectische muzieksmaak. Genres doen er niet toe voor ons; je hebt alleen goede en slechte songs. We vullen elkaar ook karakterieel aan. Ik ben nogal intuïtief en impulsief, Jan is rationeler en kan mij kalmeren als het nodig is. Van hem pik ik alles. Ruzie hebben we nog nooit gehad.’

Tekst: Michaël Bellon
Foto: Tine De Wilde
Uit: Lijsterbes november 2019